een belevenis van een bevlogen karpervisser

Herinneringen…
Diep verscholen in het bos. Ver verstopt tussen hoog struikgewas en bijna geheel omringd door meters dikke bramenstruiken. Jarenlang neem ik niet de moeite om gehoor te geven aan het putje waarvan een klein gedeelte ik mijn ooghoek opdoekt als ik er langs rijd. Het kan niet veel meer zijn dan een vies modderig stinkputje. Geen karper wil en kan daar leven. Mijn hersenen krijgen op geen enkele wijze een prikkel om eens een kijkje te gaan nemen. Aankomend weekend staat er geen visnacht op de planning. Familiaire verplichtingen laten het deze keer niet toe. De voorjaarszon schijnt krachtig door het raam. Met twee flinke slokken gaat mijn beker met koffie leeg en met een gevulde koek tussen de tanden verlaat ik de keukentafel. Ik ben met twee uurtjes weer thuis. Ga even naar het viswater. Tot straks. Door het keukenraam zie ik mijn vrouw hoofdschuddend en met verbijstering kijken. Toch zie ik ook een glimlach. Ze kent en begrijpt mij. Ik heb geen idee wat ik precies ga aantreffen, maar dit is het moment. Plotseling wil en moet ik weten hoe het putje er van dichtbij uitziet.
Vanaf het open stukje oever reikt mijn blik een meter ver in het heldere water voordat het toch wel dieper afloopt. Dit had ik dus niet verwacht. Rechts van mij sta ik oog in oog met een fuut die zich instinctief vlak legt op haar nest. Na een poosje verbeeld ik mij enige oppervlakte activiteit, diep onder de overhangende struiken aan overkant. Het zal toch niet? De mond valt mij open als even later een karperbek het wateroppervlak doorklieft en voedsel naar binnen zuigt. Dikke sukkel, hier zwemt dus wel karper.
Snel naar huis en een half uurtje lig ik bewapend met een glashengel, onthaakmatje, lieslaarzen, schepnet en een paar plakken brood op de knieën tussen de struiken. Hoe ik hier überhaupt een karper moet scheppen, weet ik nog niet. Eerst maar eens beet krijgen. Terwijl er ergens vlak onder mij een paar broodkorsten op het water drijven peuter ik enkele stekels uit mijn onderarm. Het na een poosje slurpende geluid klinkt mij als muziek in de oren. Een dubbelgevouwen broodkorst wordt voorzien van een klauwhaak. Het is warm, erg warm. Behoedzaam veeg ik enkele zweetdruppels van mijn voorhoofd. Bang om de vis te verjagen durf ik mij haast niet te bewegen en laat de gevulde haak voorzichtig zakken onder de top van de hengel. Mijn rechterhand omklemd het kurk en het duurt niet lang of de tussen duim en wijsvinger geklemde lijn wordt uit mijn linkerhand gerukt. De hengel slaat krom en de spoel begint de draaien. Nog steeds heb ik geen enkel zicht op hetgeen er zich onder mij afspeelt. Wel stopt de lijnafname en lijkt de vis zich vast te hebben gezwommen. Met de steel van het schepnet druk ik een soort van doorgang in de struiken en op goed geluk stap ik onder de oever in het water. Het water staat nog net aan de goede zijde van mijn lieslaarzen wanneer ik na enkele vluchtpogingen een prachtig oud spiegeltje kan scheppen. En nu? Daar sta je. Wat ben ik eigenlijk aan doen? Op de knieën klauter ik de wal omhoog en dirigeer de karper met hoog gestrekte armen met net en al richting de mat. Mijn lichaam voelt als een speldenkussen. Handen, onderarmen, alles zit onder de doornen. Een half uur later dan beloofd kom ik thuis. Wat zie je eruit! Was het leuk? Heb je nog wat kunnen vangen?