het andere visverhaal

1. Een loos vissertje

Elke morgen loop ik door het Noorderpark naar mijn kantoor. Op het smalle houten bruggetje bij de vijver blijf ik altijd even staan. Vandaar heb ik een goed zicht op de vissers, die vanaf de oever naar een karpertje hengelen. Oude mannen, elke dag dezelfde op hun vertrouwde stekkie. Nu is mij al een paar weken opgevallen dat er een vreemde figuur tussen hen zit. Een eigenaardig persoon, heel anders dan de oude baasjes uit de buurt. Hij zit daar in een deftige overjas, met glimmende lakschoenen en altijd met een hoed op zijn hoofd. Merkwaardig. Of niet soms? Het vreemde van het geval is dat hij zijn hengel nooit aanraakt. Die andere vissers zijn altijd wel ergens mee in de weer. Ze halen op om het aas te verversen, of ze slaan als ze beet hebben. En soms is het raak! Dan krommen de ouderwetse stokken zich diep en tillen zij de zware jongens kreunend omhoog. Het zijn altijd karpers, logisch want de gemeente heeft die in die vijver uitgezet. Speciaal voor de oude vissers, die daarvoor een speciale parkvergunning moeten aanvragen. Maar bij onze deftige man gebeurt er helemaal nooit iets! Hij zit daar maar strak voor zich uit te kijken. Elke dag weer. Het maakt me nieuwsgierig. Dat kun je begrijpen. Elke ochtend neem ik mij voor hem aan te spreken, maar als ik eenmaal op het bruggetje sta stel ik het uit tot 's avonds. En dan weer tot de volgende dag. Hoe dat komt? Eigenlijk weet ik dat niet. Ik denk dat het komt omdat hij daar zo ongenaakbaar zit in zijn keurige kledij. Maar het Iaat me toch niet los. Wie is die man? Wat is er met hem? Waarom doet hij zo typisch? Geloof het of niet. Het wordt een obsessie voor me. Ik moet er voortdurend aan denken. Op een zomeravond kom ik Iaat van mijn werk. De donkerte begint al over het water van de vijver te glijden als ik mijn bruggetje nader. Ik vat ineens moed. Nu moet het gebeuren! De oude vissers zijn al weg. Maar de man met de hoed zit er nog. Alleen en roerloos. Alsof hij in diepe slaap is verzonken. Even aarzel ik nog. Maar dan stap ik op hem af. 'Wil het nog wat?' begin ik de meest gestelde vraag van voorbijgangers aan hengelaars. 'Wil het nog wát?' klinkt het stroeve antwoord. 'Het vissen natuurlijk. Wat anders?' reageer ik, toch wat knorrig. Heb ik moed bij elkaar geraapt, krijg ik zo'n afwerende reactie. 'Als U het per se weten wil: het wil niet! Maar dat hoeft ook helemaal niet!' antwoordt de hoed-man korzelig. 'Hoezo niet? 'houd ik aan. Ik wil nu ook wel precies weten wat hier aan de hand is. 'Heeft U dan al genoeg gevangen?' 'Nee, niets. En ik zal ook niets vangen ook, vandaag niet, nooit!' ' Maar U zit hier toch elke dag?' 'Ja, dat is zo', mompelt de hoed-man. Er klinkt duidelijk ongeduld in zijn stem. Maar ik geef niet op en met een hoofdgebaar in de richting van zijn collega-vissers zeg ik: 'Zij vangen wel. Misschien heeft u geen goede stek.' De man kijkt niet op of om. 'Misschien heeft u niet het goede aas,' probeer ik. De man haalt zijn hengel op. Stomverbaasd kijk ik naar het losse eind snoer dat boven het water wappert. Er zit alleen een stukje lood aan om het snoer onder water te houden. 'Maar uw haak is eraf. Wist U dat niet?' zeg ik verbaasd. 'Er heeft nooit een haak aangezeten!' antwoordt de man droogjes. Ik sta perplex en weet niet wat ik moet zeggen. Nu draait de hoed-man zich half naar mij om: 'u denkt nu natuurlijk dat ik gek ben?' glimlacht hij. Ik houd me stil. Ik ga dat niet bevestigen, al denk er het mijne van. 'Ik zie u dat denken,' gaat de man verder, 'en In zekere zin heeft u dan ook wel gelijk. Niet dat mijn gedrag u ook maar iets aangaat, maar omdat u zo verbijsterd staat te kijken zal ik het u uitleggen.' 'Als u dat niet wilt hoeft dat niet hoor,' werp ik nog tegen, mijn nieuwsgierigheid trotserend. 'Jawel. Ik heb heus wel gemerkt dat u mij al wekenlang staat te observeren. Op bespioneren af!' Hij windt het snoer zorgvuldig op de oogjes aan de hengel. 'Laat U mij dan verder met rust?' vraagt hij zacht. Ik kan natuurlijk niets anders dan bevestigend antwoorden en knik bevestigend. 'Vanzelfsprekend, als u dat liever heeft.'

'Inderdaad, dat heb ik bepaald liever dan dat geloer vanaf dat bruggetje, dat u nu al wekenlang doet en al dat gevraag dat u zojuist deed.' De man lijkt nu flink in zijn wiek geschoten en ik sta op het punt weg te lopen. Ik wil geen ruzie met hem. Dan zegt hij: 'Hoort U eens hier. Ik ben dichter. Ik heb een rustige plek nodig om na te denken. En ik moet buiten zijn. Anders lukt het me niet te dichten. Hier bij de vijver heb ik het gevonden. Prachtige zinnen ontstaan hier. Die zet ik dan 's avonds thuis of in het café daar op de hoek op papier.' Hij wijst met zijn hengeltop naar de overkant van het park, waar op de hoek het fameuze etablissement De Vriendschap is gevestigd. Dat café is al sinds mensenheugenis de ontmoetingsplaats van een boeiend mengsel van buurtbewoners, kooplieden van de aanliggende Willemsmarkt en kunstenaars. 'Maar dat vissen dan?' vraag ik. 'Ik vis niet. Dat ziet u toch? Een snoer zonder haak. Ik moet er niet aan denken dat ik zo'n schubbendrager aan mijn haak zou krijgen! Voor geen prijs. Maar ziet u, als ik hier elke dag urenlang aan het water zou gaan zitten, zomaar op een stoel, dan zouden de mensen denken dat er een halve gare zit. En als ik op een bank ga zitten word ik voortdurend gestoord, nu eens door kantoormensen die hun broodje hier komen eten, dan weer door keuvelende moeders met kinderwagens, lawaaiige schoolkinderen, of oude mannen die hun hond uitlaten en zich vervelen, ja altijd wat. Niet dat ik dat daar veel bezwaar tegen heb, het park is immers juist ook voor die mensen een prettig oord. Maar dan is het gedaan met mijn rust. Dan komt er steevast geklets en gevraag. Nu niet. Vissers laten ze wel met rust. Alleen af en toe een paar stomme vragen, zoals u daarnet ook deed: heeft u al iets gevangen; wil het nog wat; lekker visweertje vandaag? Maar ik zeg niets terug. Dan houdt het meestal snel op. Ziet u, de meeste mensen vervelen zich mateloos. Ze willen altijd afleiding. En als je dan niets terugzegt ben je niet interessant genoeg. Dan laten ze je met rust' Hij kijkt mij nu indringend aan vanonder zijn witte wenkbrauwen, die opvallend ver naar voren steken en samen met zijn scherpe neus en snor zijn gelaat een bijzondere uitdrukking geven. Even denk ik hem te kennen van een optreden op de televisie. Hij is inmiddels opgestaan en heeft zijn klapstoeltje dichtgevouwen. 'Maar de andere vissers dan!' vraag ik. 'Die merken toch dat U zonder aas en haak zit te hengelen?' 'Dat weten ze. Ik heb het ze verteld. Ze begrijpen het. Ze houden het onder elkaar. Het loze vissertje, zo noemen ze me.' Hij legt zijn hengel over zijn schouder en loopt langs mij naar het pad, op weg naar de uitgang. 'Ik hoop dat u nu met een gerust moed naar huis of uw werk kunt en ik groet U zeer,' mompelt hij, met een flinke dosis ironie in zijn stem. Even later zie ik hem de straat oversteken naar café De Vriendschap. De volgende morgen loop ik opgewekt naar het bruggetje. De oudjes zitten er al. Maar de hoed-man is weg. Zijn plaats is leeg. Peinzend kijk ik over het water. Misschien is hij ziek, of heeft hij iets belangrijks te doen vandaag. Snel loop ik naar De Vriendschap om te zien of hij daar misschien is. Maar nog voordat ik het park uit ben word ik op mijn schouder getikt. Ik draai mij om. Voor mij staat een van de oude vissers uit het park. 'Mijnheer,' zegt hij tegen me, 'ik moest dit geven aan de man die elke dag op het bruggetje staat. Dat bent u toch? Want ik heb u daar vaak zien stilstaan om naar de vijver te kijken. U heeft gisteren toch gesproken met de dichter, nietwaar?' Hij sprak het woord 'dichter' met een zeker ontzag uit. Ik bevestig het. Dan drukt hij mij een klein boekje in mijn handen. Ik sla het open. Het is een dichtbundeltje. Op de eerste bladzijde staat met de hand in sierlijke letters een opdrachtje geschreven: 'Aan hem die mijn loze vissen voortaan zal moeten missen'. Ik kijk de oude visser vragend aan. 'Mijnheer komt voorlopig niet meer in het park,' zegt hij. 'Mijnheer is op reis, hij zal heel lang wegblijven. Dat heeft mijnheer ons verteld toen hij vanochtend vroeg afscheid kwam nemen.

We hebben samen nog een kop koffie gedronken in De Vriendschap, en toen gaf hij ons allemaal een boekje en vroeg mij dit aan u te geven.'